Nooit meer grijs

Een kamertje van zo’n twaalf vierkante meter. Bonte boekenverzameling op de kleine oude Baldwin: Edition Peters van de Sonates van Haydn en Mozart, Henle uitgaves van Bach, Eulenburg zakpartituren. Naast de kruk op een laag tafeltje een stapel bladmuziek uit de bibliotheek van het Sweelinck Conservatorium. De partituur van de Sacre opengeslagen bij deel twee.
In zijn ruim vallende, quasi artistieke colbertje zat hij met een sjekkie in zijn mond uren per dag achter z’n piano. Het Wohltemperierte Klavier van Bach, sonates van Beethoven, twintigste-eeuws repertoire van Prokofjev, Debussy, Bartòk, alles waar hij maar de hand op kon leggen speelde hij door.
Hij studeerde hoofdvak compositie bij Robert Heppener en orkestratie bij Geert van Keulen. Bijvak piano had hij van Boukje Land. Zij was een dame uit vervlogen tijden, stijl grijs haar in strakke coupe, schoenen van Forma Natura, lange grijze kokerrok, degelijke kousen en haar blouse dichtgeknoopt tot het allerlaatste gaatje.
De toonladder van C-groot met een fis als vierde noot zoals Jan Willem die op zijn eerste les speelde, werd door haar niet geapprecieerd. Hij wist nog meer varianten te bedenken die hij ons liet horen. Wij huisgenoten, drie pianisten, bedachten er creatieve vingerzettingen voor. Topper was de ‘Boukje Land Toonladder’, waarbij je de toonladder van C netjes begon maar na het aanslaan van de pink je hand in speelrichting kantelde en doorrolde, zodat je met je vingers ondersteboven verder moest spelen om ruim een octaaf hoger met een gedraaide onderarm te eindigen op de nagel van je duim. Hij kon er smakelijk om lachen: ‘Hoh, hoh, hoh,’ en met onder zijn stem de ademsteun van een zanger zei hij: ‘Gewèldig.’
Gortdroge humor had hij.
‘Het is vies en nat buiten,’ droop ik een keer bij hem binnen.
‘Ja,’ praatte hij met de linkerkant van zijn mond terwijl z’n sigaretje rechts meewipte, ‘ik keek vanmorgen vanuit bed naar buiten en dacht: ‘Wat een rotweer, ik sta morgen wel op.’ Hoh, hoh, hoh.’
In de hoek van zijn kamer stond de tafel waarop z’n composities lagen. Hij had een welluidend handschrift, bijna grafisch. Zijn manuscripten waren net schilderijen en je kreeg de neiging om ze in te lijsten en als een muzikale ode aan de muur te hangen.
Wanneer een van zijn huisgenoten op een concert twintigste-eeuwse muziek speelde kwam hij luisteren. Mijn uitvoering van Strawinski’s Serenade kwam hij enthousiast supporten in de Bachzaal. ‘Gewèldig,’ hoorde ik zijn sonore stem zeggen onder het applaus en nadat ik een paar maanden later in dezelfde zaal de Sonate van Strawinski had ingezeept was hij laaiend enthousiast.
Nog geen maand later probeerden we kaarten te krijgen voor Le Sacre du Printemps van Strawinski met Pina Bausch in Theater Carré in het Holland Festival. Het was uitverkocht, de enige kans op een plek was in de rij staan bij de kassa en een nummertje halen.
Ik ging erop uit. Uren heb ik verankerd naast het loket gestaan met nummertje drie geklemd in mijn hand. Het zou om kwart over acht beginnen en de niet-afgehaalde kaarten zouden om tien over acht worden verkocht. In het gedrang week ik geen millimeter van mijn plek.
‘Mag ik er even langs?’
‘Nee, u duwt maar iemand anders opzij.’
Waar bleef Jan Willem toch? Hij zou toch wel op tijd zijn? Ik had niet genoeg geld bij me voor gewone kaarten. Shit, nu gingen ze de nummertjes afroepen.
Nummer een. Een veertiger, type bankdirecteur in een net krijtstreeppak, kaapte zes plekken voor m’n neus weg.
Waar bleef hij nou?
Nummer twee. Ik greep mij vast aan de balie om niet opzij te worden geduwd en ging op mijn tenen staan, strekte mijn nek, maar nergens die markante en ondeugende snoet van Jan Willem.
Nummer… ah, eindelijk, ik strekte mijn hand omhoog en schreeuwde naar de zorgvuldig geknipte krullenkop die ik tussen de andere kapsels zag bewegen: ‘Jan Willem! Jan Willem!’ Hij keek om zich heen en wrong zich in de richting van het geluid. Ik zat behoorlijk in de stress want de vermoeid uitziende dame aan de kassa werd ongeduldig en ik had niet genoeg geld bij me om de volle mep te betalen.
‘Jan Willem!’ Ik gebaarde fel met mijn hand in de lucht om zijn aandacht te trekken.
‘Jan Willem! Hier!’ Eindelijk, hij zag me en lachte me toe.
Ik riep met overslaande stem: ‘Heb je je cjp bij je?’ Er klonk smakelijk gelach om ons heen en Jan Willem vond mijn vraag een reuzenbak: ‘Hoh, hoh, gewèèldig!’ Hij drong zich in mijn richting, viste zijn cjp uit de achterzak van zijn donkergrijze spijkerbroek en even later huppelden we als twee kleine kinderen het sjieke Theater Carré binnen.
‘We hebben kaartjes,’ zong ik, ‘we hebben kaartjes!’ Oeps, de suppoost was niet blij met zulke luiddruchtige gasten en zo discreet mogelijk slopen we de zaal in om dit onvergetelijke evenement, met tijdsgeestveranderende muziek en dansers die vies mochten worden in een spectaculaire zandbak, van nabij mee te mogen maken.

Een paar jaar na mijn afstuderen kwam ik hem tegen in het Vondelpark.
‘Hoe gaat het, ben je nog aan een bijzonder stuk bezig?’ Hij vertelde dat hij een opdracht had van het Fonds voor de Kunst. Betaalde goed: tienduizend gulden.
‘Ik heb uitgerekend, dat is een gulden per noot, hoh, hoh, gewèldig.’ Fantastisch, vond ik ook.
‘En hoe gaat het met jou?’ wilde hij weten.
‘Ik heb vier losse uurtjes als pianist aan de Theaterschool, een avond begeleid ik een vrouwenkoor en ik heb wat pianoleerlingen.’
‘Kun je er van leven?’ Ik stak mijn arm gestrekt naar hem toe waarop hij me verbaasd aankeek.
‘Voel maar,’ zei ik, ‘mijn pols. Zestig slagen per minuut.’ Zijn lach moet tot in het Concertgebouw te horen zijn geweest.
‘Speel je nog altijd Strawinski?’ vroeg hij.
‘Binnenkort ga ik weer aan de slag,’ jokte ik. Ik zat ‘in between boys’ en had al mijn vrije tijd nodig voor dates en de daaruit voortvloeiende activiteiten.
‘Ik zal je een uitnodiging sturen,’ een leugentje meer of minder maakte nu niet meer uit, ‘woon je nog steeds in de Palmstraat?’ Nee, hij woonde in een ander huis, ook met kamers voor musici, vlakbij het Vondelpark. Ik schreef het adres op.
‘Nou, het beste. Sterkte met je composities.’ Op zijn dooie akkertje fietste hij weg. Ik bleef hem nog even staan nakijken tot hij voorbij de fontein uit het zicht was verdwenen.

Ach, die dierbare Jan Willem, wiens mooie donkere krullen nooit grijs zijn geworden…

Tooske Hinloopen – 11 januari 2016

Dit bericht is geplaatst in Musicolumn met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *