Albinoni

‘Shimna, er heeft iemand afgebeld, kun jij morgen spelen?’
Floris klonk nogal wanhopig.
‘Waar en hoelaat?’
‘Om negen uur, in Ockenburg. Ik was al eerder van plan je voor te stellen aan Soraya. Zij is violiste, een studiegenote van me en ze wil heel graag komen spelen, maar ze heeft geen vaste pianist.’
‘Dan moeten we vanavond nog repeteren,’ zei ik.
‘Nee, dat kan niet, dan speelt ze met haar kwartet, maar als jullie morgen een half uur eerder komen, kunnen jullie oefenen in de aula van Ockenburg.’
‘En wat moeten we spelen?’
‘Salut d’Amour van Elgar, het Largo van Handel,’ gesneden koek, ‘en het Adagio van Albinoni.’
‘Heb je de bladmuziek van Albinoni?’, wilde ik weten.
‘Ik zal vragen of de andere pianist het even doorstuurt over de fax, dan neem ik het morgen mee. Kun je er om half negen zijn?’

Omdat ik erg vroeg was, liep ik nog een rondje over de begraafplaats. Pas tegen half negen kwam er iemand van het uitvaartcentrum en kon ik naar binnen. Ik ging naar de zaal om in te spelen. Floris kwam even later binnen met Soraya en stelde ons aan elkaar voor.
De kist werd ondertussen binnengereden en twee dames in donkerblauwe mantelpakjes zetten bloemen en kaarsen eromheen en een foto van de overledene erop.
‘Zullen we Albinoni als eerste doornemen?’ vroeg ik.
De kopieën waren slecht leesbaar geworden in de fax. Uit de telfouten van Soraya concludeerde ik, dat zij de muziek ook niet kende.
‘Kun je koffie voor ons halen?’ vroeg ik aan Floris, die de hele tijd om ons heen bleef hangen. Hij stond op: ‘Suiker en melk?’
‘Zwart.’
Toen hij buiten gehoorsafstand was, zei ik tegen Soraya: ‘Hoe tel jij daar, ik kom steeds niet goed uit.’ Ze speelde het nog een keer.
‘Ik snap het al,’ zei ze toen, ‘er is iets weggevallen.’ Ze krabbelde iets in haar partij.
‘En verderop, op bladzij twee, daar klopt ook iets niet.’
Op dat moment kwam Floris al weer binnen met koffie.
‘Gaat het, dames?’, wilde hij weten.
‘Prima,’ zei ik en liep nonchalant naar de muziekstandaard van Soraya. Ik zette een rondje om de langere noot. ‘Let op hè, daar heb jij drie tellen,’ fluisterde ik en ging weer aan de vleugel zitten.

Albinoni moesten we spelen tijdens het aansteken van de kaarsen door de kleindochters.
Soraya stemde haar viool wat bij, streek haar lange zwarte haren naar achteren en we begonnen. Op de eerste bladzij maakte ze minstens drie telfouten. Op de tweede bladzij sloeg ze een maat over bij de herhaling en op het eind heb ik enkele maten extra moeten verzinnen omdat ze haar inzet miste. Ik zag haar vragend naar me kijken maar nadat ik een stukje van de vioolpartij had meegespeeld nam ze het weer over. Precies op dat moment kwam ook de zon door waardoor de hele aula mooi oplichtte. Er werden nog enkele toespraakjes gehouden en onder de hoopvolle klanken van Salut d’Amour van Edward Elgar verliet iedereen stilletjes de zaal.

Terwijl de uitvaartleidster de boeketten verzamelde om aan de familie te geven, kwam Floris op ons af. Ik verwachtte echt een donderpreek, maar hij zei verheugd: ‘Dat ging goed hè, dames. Het was echt heel mooi.’
‘Ja,’ zei ik opgelucht, ‘het was een uiterst originele uitvoering.’

Tooske Hinloopen – 23 mei 2016


Dit bericht is geplaatst in Musicolumn met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *