Wandern ohne Opus

Jaren 70. Wandelvakantie in Engeland. The Pennine Way. 400 kilometer. Vier weken wandelen met rugzakken waarin we dagelijks ons hele hebben en houden vijftien kilometer zuidwaarts versleepten. Mijn vader sjouwde de tent die na een nachtje frisse Engelse regen altijd verdubbeld was in gewicht. Mijn moeder droeg het keukengerei, mijn broertje had kleding en slaapspullen en ik torste het eten. Onderweg verzamelde ik ook mooie stenen die ’s nachts altijd op raadselachtige wijze verdwenen. 

Op een dag kwamen we aan in een schattig dorpje. Kampeerplek gezocht en we gingen nog even rondkijken. Er was een “jumble-sale”, de Engelse variant op rommelmarkt.

Broertje en ik hadden wat kleingeld losgebedeld om lootjes te kopen. Voor het goede doel. Je kon van alles winnen: saaie truitjes, muffe boeken, gore zeepjes, foute koekjes, sterke drank en nog veel meer ellende waar de lokale bevolking vanaf hoopte te komen. 

De trekking. Ik viel als laatste in de prijzen. Grinnikend liep ik naar voren en nam een loodzwaar boek in ontvangst. Het waren Beethoven sonates. Alle 32 in een boek met harde kaft. Triomfantelijk zeulde ik mijn 3 kilo noten naar de tent. 

Gezien m’n ervaringen met de stenen besefte ik dat ik deze buit met maximale inzet moest verdedigen. De Pennine Waywas lang, we hadden nog 200 kilometer te gaan. Ik bleef de hele avond bovenop het boek zitten en heb het ’s nachts in mijn slaapzak bewaakt. Vanwege mijn vasthoudendheid zat er de volgende dag voor mijn ouders niets anders op dan Beethoven te laten varen: per post naar Nederland.

“Dat was een erg duur lootje”, sprak mijn vader zuinigjes. Hij streek een stukje hoogwaardig bankpapier glad en schoof het met gepaste tegenzin over de toonbank. Tevreden keek ik toe hoe de ambtenaar Queen Elisabethin veelvoud op mijn kiloknaller plakte.

Toen we twee weken later thuis kwamen lag Beethoven al te kwispelen op de mat. Ik besnuffelde direct de eerste sonate. Dagelijks doorjassen zoals je dat op je dertiende doet. Later op het Conservatorium bleek het een totaal verouderde uitgave te zijn en moest ik uit Urtexten spelen. 

Braaf heb ik verschillende uitgaves uit de bibliotheek gehaald: de groene Edition Peters, De blauwe Henle, de bruine Bärenreiter, de rode Wiener Urtext en de wat kleurloze Schirmer.

Van mijn laatste geld schafte ik een Henle aan en echt waar, ik heb gepoogd te kijken wat er staat. Maar ja, het oor wil ook wat en mijn handen doen gewoon hetzelfde als vroeger. En aangezien ik al jaaaaaren geleden ben afgestudeerd en nog steeeeeeds niet ben gecontracteerd door de Deutsche Gramophonkan ik me daar geen seconde druk om maken.

De Pennine Wayheb ik in mijn leven twee keer gelopen. Wat betreft Beethoven ben ik niet verder gekomen dan de eerste sonate.  Moet ik mij daar zorgen om maken?

U kunt het juiste antwoord mailen naar een nog nader bekend te maken e-mail adres; onder de goede inzendingen verloot ik mijn Oud-Engelse Editie van de Beethoven Sonates herausgegeben von Franz Liszt.

september 2013

Tooske Hinloopen

Geplaatst in Musicolumn | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Einde oefening

Een jochie van een jaar of acht met een sproetensnoetje stond met een rood aangelopen koppie het Wilhelmus op zijn trompet te spelen. De eerste frase ging mooi, maar zijn Prinse van Oranje kwam nog niet zo goed uit de verf. Volgend jaar beter, hoopte ik voor zijn leraar.

‘Hé Shimna.’
‘Jannemijn, heb je hier een kraampje vandaag?’
‘Nee, Wiesje. Ik kom even wat boterhammetjes brengen, ze zit hier al een half uurtje.’
‘Wiesje? Gaat het goed met haar? Speelt ze nog piano?’
‘Ja, ze heeft nu les bij Berry van B. van het Jazzy Pianisten Collectief. Hij doet veel met elektrische piano. Ritmetjes en zo.’
‘Klinkt goed.’
‘Ja. Maar het oefenen, dat blijft nog steeds een dingetje hoor,’ zei Jannemijn.

Wiesje had drie jaar bij mij op pianoles gezeten. Jannemijn, een stevige bijdehante brunette, had vroeger cello gespeeld. Niet onverdienstelijk, begreep ik uit haar verhalen over het Jeugd Orkest waarin ze aanvoerdster was geweest van de celli. Ze was niet in de muziek doorgegaan en ‘Nee,’ vanwege haar drukke baan als organisator en interimmanager, ‘ik heb al jaren niet meer gespeeld.’

‘Ik weet zeker dat je het veel beter kunt,’ zei ik.
Wiesje wierp een ongeïnteresseerde blik in het boek en produceerde dezelfde dissonant als daarnet.
‘Vind je het niet een beetje raar klinken?’
Ze haalde haar schouders op.
‘Nou?’, drong ik aan.
‘Weet ik niet.’
‘Kijk,’ ik wees in haar boek, ‘bij die f staat een kruis.’
Voorzichtig verschoof ze haar vierde vinger naar de fis.
‘Ga je deze week wat meer oefenen?’, vroeg ik.
Ze knikte en deed opgelucht haar boek dicht.
‘Ik zet de dagen van de week in je schriftje en dan mag jij er een kruisje bij zetten als je hebt gespeeld,’ zei ik, ‘probeer twee keer te oefenen, dat moet wel lukken, toch?’
‘Telt vandaag ook mee?’, vroeg ze.
‘Als jij straks thuis gaat studeren, dan telt dat natuurlijk mee.’
‘Maar ik heb nu toch gespeeld?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Op les?’

‘Ja, dat oefenen,’ Jannemijn zuchtte aan de andere kant van de telefoon, ‘dat is wel een hot item-pje. Ik zeg het steeds, maar het kost zoveel moeite.’
‘Vindt ze piano spelen wel leuk?’, informeerde ik.
‘Ja, ze vindt de lessen heel leuk. Ze komt altijd blij thuis.’
‘Maar ze zou wel wat harder mogen werken.’
‘Ik zal er met haar over hebben.’

Een paar weken later kwam ik Jannemijn op straat tegen, in haar fietsmand lagen vier grote zakken snoepgoed voor Sint Maarten.
‘Het gaat een stuk beter hè, met Wiesje. Ik geloof echt dat ze haar inzinkinkje weer te boven is.’
‘Oh.’
‘Haar vriendinnetje zit op vioolles, dat is natuurlijk een super stimulansje. Heeft Wiesje niet verteld over hun optredentje?’
Ik wist van niets.
‘Met Kerst. Op school. Iedereen mag wat laten horen. Ik heb haar meteen opgegeven.’
‘Ik heb een leuke viool- en pianobewerking van Jingle Bells,’ zei ik, ‘niet moeilijk.’

Haar vriendinnetje was handig.
‘Weet je wat, jij speelt het intro op viool,’ ik schreef de noten in haar partij, ‘en Wiesje, dan hoef jij hier alleen maar met links te spelen. Een paar noten van vier tellen.’
Het klonk meteen een stuk beter.

De week erop was de generale.
‘Heb je bladzijde twee ook geoefend?’, vroeg ik.
Nee, die was ze kwijt.

‘En, heb je goeie voornemens voor het nieuwe jaar?’
Stilte.
‘Echt niet?’
Een blik op de klok.
‘Beetje meer je best doen voor je pianoles?’
Een aarzelend knikje.

Een maand later: ‘Wiesje, dit kan echt niet. Je moeder betaalt veel geld voor je pianolessen, daar mag je best wat meer moeite voor doen.’
Ze wriemelde aan haar armbandje.
‘Je moet vier keer per week een half uur studeren.’
Het gespje schoot los.
‘Anders wordt pianospelen echt niet leuk.’
Het armbandje viel op de grond.
‘En dan is het voor mij ook niet leuk meer, dan heb ik er geen zin meer in.’

Jannemijn deed erg kortaf. Toen ze Wiesje had gevraagd hoe de pianoles was gegaan, was die in tranen uitgebarsten. Dat had ik helemaal fout aangepakt.
‘Wiesje is een hééél gevoelig meisje,’ legde ze uit.

De rest van het schooljaar heb ik niets meer over het oefenen gezegd.
Vlak voor de zomervakantie belde ik de moeder op: ‘Het lijkt me beter dat Wiesje een jaartje pauze neemt,’ begon ik.
‘Oh nee, daar komt niks van in. Ze is nu juist zo goed bezig.’
‘Als ze het komende jaar nou uit zichzelf achter de piano …’
‘Nee, ik wil absoluut niet dat ze stopt. Als jij niet meer met haar wilt werken, dan zoek ik gewoon iemand anders.’

‘Ze zit verderop, in het bushokje,’ wees Jannemijn.
Van de andere kant kwam een jonge vrouw aangelopen die wat kleingeld gooide in de trompetkoffer van het ijverig spelende sproetenkoppie.
Hé, het was Janine Wever, die was afgelopen week bij mij in de pianostudio komen kennismaken met haar dochtertje Lotte.
Janine bukte bij het stalletje van Wiesje.
‘Wat kosten die pianoboeken?,’ hoorde ik haar vragen.
‘Vijftien euro,’ antwoordde Wiesje met een stalen gezicht.
‘Dat vind ik wel een beetje duur voor Koningsdag,’ reageerde Janine.
Ze kreeg mij in beeld. ‘Oh, hallo Shimna,’ reageerde ze verrast.
Ze pakte de boeken en hield ze omhoog: ‘Vijftien euro!’
Jannemijn liet de boterhammen vallen en keek sprakeloos naar Wiesje. Die werd vuurrood en sloeg haar ogen neer.
‘Vijftien euro,’ herhaalde Janine, ‘Shimna, wat vindt jij daarvan?’
‘Dat zou ik meteen doen,’ was mijn verlossend advies.

Tooske Hinloopen – 29 april 2016

Musicolumns op mijn andere website 

Geplaatst in Musicolumn | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Topprestatie

‘Hij was net lekker aan het buiten spelen,’ verontschuldigde de moeder zich, ‘dan is het best sneu dat zijn leuke middag wordt onderbroken.’
Japie, elf jaar en klein voor zijn leeftijd, kwam bokkig achter haar aan mijn pianostudio binnen.
‘Waar zijn je boeken?’ zag ik meteen.
‘Sorry,’ moe Rozeboom sloeg haar hand voor haar mond, ‘vergeten. Het was al laat en ik dacht, jij weet vast wel wat nuttigs met hem te doen. Anders is het zo zonde van zijn laatste les.’
Ze had mijn advies opgevolgd, Japie zou eind deze maand stoppen met zijn pianolessen.
‘Kom maar, Japie,’ zei ik opgewekt, ‘hang je jas netjes op, dan gaan we snel aan het werk.’
Terwijl zijn moeder wegging, sleepte hij zich naar de pianokruk.
‘Netjes recht zitten,’ zei ik tegen het kromme ruggetje, ‘kom op, als een echte pianist.’
Ik pakte lesboek 1 uit de kast en zette dat op de lessenaar.
‘Wat had je als huiswerk?’
Japie begon vanaf het begin te bladeren. Bladzijde drie, nee, die niet. Bladzijde vijf misschien?
‘Speel je niet het Wiegeliedje?’, vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op en bladerde verder. Bladzijde negen, bladzijde elf.
Buiten begon het zachtjes te regenen, een mild zomers buitje, goed voor de tuin.
‘Stukje verder, Japie, bladzij vijftien.’
Bladzijde dertien, bladzijde zeventien, o, nu sloeg hij een bladzijde over. Terug, bladzij negen, bladzij elf.
Ik keek de tuin in en zag hoe een dikke slak over het terras kroop richting zonnebloemen.
Bladzij dertien, zeventien.
De slak bevond zich inmiddels aan de voet van de steel en keek omhoog. Ik vroeg me af of hij benul had van de anderhalve meter die boven hem uittorende.
‘Een bladzij terug, Japie.’
De slak staarde naar het eerste blad: ‘Beetje taai.’
Japie trok wat te wild aan het papier en het boek viel op de grond.
Terwijl Japie zich van de kruk liet zakken, kroop de slak naar blad drie, ik probeerde het aantal bladeren te tellen dat aan de zonnebloem zat. Dertien? Lastig tellen. Vijftien?
Japie had het boek weer teruggezet.
Het werd even een nek aan nek race. Japie was, net als de slak, bij blad vijf.
‘Ik kan het niet vinden,’ zei Japie, terwijl hij werd ingehaald door de slak.
‘Ietsje verder nog, bladzij vijftien,’ hintte ik.
De slak aarzelde: ‘Blad zeven? De de malse top?’
Japie had inmiddels het Wiegenliedje gevonden en ging op zoek naar de eerste noot.
‘Kijk maar op het plaatje, daar staat hoe je je handen neer moet zetten,’ adviseerde ik.
De slak liet blad acht links liggen, of nee, vanuit de slak gezien was het rechts.
‘Kijk ‘s of je hand wel goed staat,’ zei ik, terwijl de slak blad tien passeerde.
‘Pink op de G.’
Blad elf.
Ik pakte zijn slappe handje en zette het op de juiste plek.
Blad twaalf, het handje gleed weer opzij.
‘Zal ik het even aan je voorspelen?’, bood ik aan.
Hij liet zich meteen van de kruk afglijden en onder de verlossende klanken van het Wiegenliedje bereikte de slak de top, hij wel.

Tooske Hinloopen – 17 mei 2016

Musicolumns op mijn andere website 

Geplaatst in Musicolumn | Getagged | Een reactie plaatsen

Musicolumn

Een musicolumn is een kort verhaal, waarin muziek een grote of kleine rol speelt.

Geplaatst in Musicolumn | Een reactie plaatsen